Het ontologische Godsbewijs van Anselmus van Canterbury

Anselmus van Canterbury, later heilig verklaard, geloofde dat het mogelijk is om enkel door het gebruik van de rede aan te tonen dat God bestaat, de menselijke ziel onsterfelijk is en de Schrift geen fouten bevat. De meeste argumenten die hij hiertoe opstelde zijn niet langer van belang. Zijn ontologische godsbewijs is binnen de moderne filosofie echter nog altijd een brandende kwestie. Het gaat als volgt:

1. God wordt gedefinieerd als ‘datgene waarboven niets groters gedacht kan worden’.

2. Het is mogelijk dat dingen die in onze geest bestaan – het idee van God bijvoorbeeld – ook in werkelijkheid bestaan. Op dit punt zijn er twee mogelijkheden: God bestaat alleen in onze geest of God bestaat in onze geest en in werkelijkheid.

3. Als iets bestaat in onze geest en in werkelijkheid, dan is het groter dan iets wat slechts in onze geest bestaat.

4. We hebben God gedefinieerd als ‘datgene waarboven niets groter gedacht kan worden’, maar als God alleen in onze geest bestaat, dan kunnen we ons iets groters bedenken, namelijk een God die in onze geest en in werkelijkheid bestaat. Derhalve kan God niet alleen maar in onze geest bestaan.

5. Voilà! Hieruit volgt dat God bestaat, zowel in onze geest als in werkelijkheid.

Vragen en opdrachten:

1. Wat is een ontologisch godsbewijs? (Verklaar het begrip: ontologie, godsbewijs en breng beide begrippen in verband met elkaar, in jouw uitleg).

2. Wat is het fundamentele verschil in godsbewijs tussen Thomas van Aquino en Anselmus van Canterbury? Welk godsbewijs spreekt jou het meeste aan en waarom?

3. In hoeverre vinden wij de invloed van Aristoteles en Plato terug in de verschillende godsbewijzen van Thomas van Aquino en Anselmus van Canterbury?

4. Stelling: “Als God alleen in onze geest bestond zou Hij als God weinig voorstellen. Omdat een God die weinig voorstelt geen God is, moet hij ook in werkelijkheid bestaan”, reageer positief of negatief op deze stelling en onderbouw jouw opvatting.

5. Anselmus’ ontologische godsbewijs heeft een bibliotheek aan commentaar uitgelokt. Dit is goed te begrijpen, want de redenering is zowel intrigerend als duidelijk onjuist. Een van de eerste critici was de monnik Gaunilo van Marmoutiers, tijdgenoot van Anselmus, die liet zien dat een soortgelijke redenering op iedere entiteit kan worden toegepast. We kunnen ons een volmaakte stoel denken. Een volmaakte stoel moet in werkelijkheid volmaakter zijn dan in onze geest. Daarom bestaat er een volmaakte stoel, al zal deze vermoedelijk niet bij IKEA te koop zijn.

A. In hoeverre is Anselmus’ godsbewijs intrigerend?

B. Waarom is Anselmus’ godsbewijs feitelijk onjuist?

C. Maak aan de hand van een zelfbedacht voorbeeld duidelijk dat Anselmus’ godsbewijs feitelijk onjuist is?

Uit: Filosofie in 30 seconden – 50 mijlpalen uit de geschiedenis van de filosofie, Barry Loewer (red.), Lannoo/Spectrum 2009, p. 102

Jurgen MarechalHet ontologische Godsbewijs van Anselmus van Canterbury