Epicurus’ Raadsel

Het is mogelijk om tot de conclusie te komen dat het bestaan van het kwaad onverzoenbaar is met het bestaan van een alwetende, almachtige en al-goede God. Als we iets moeten opgeven, is het het bestaan van God, omdat we de aanwezigheid van het kwaad in de wereld niet kunnen ontkennen. De eerste formulering hiervan, het zogeheten ‘probleem van het kwaad voor het theïsme’, danken we vermoedelijk aan de Griekse filosoof Epicurus. We weten niet precies wat Epicurus heeft gezegd – het enige waarop we kunnen afgaan zijn opmerkingen van interpreten uit de oudheid – maar we weten wel dat Epicurus geen pleidooi voor atheïsme hield. Zijn algemene doel was om de mens van angst te bevrijden, en een grote bron van angst in zijn tijd was de angst voor de goden. Je wist nooit wanneer je een pak slaag kon krijgen, maar gezien het bestaan van het kwaad (of, eerder nog, van onverdiend kwaad) leek het erop dat de goden zich niet echt met de mens bezighielden. Het raadsel gaat ongeveer als volgt: “ofwel willen de goden iets aan het kwaad doen, maar kunnen ze dat niet, ofwel kunnen ze dat wel, maar willen ze niet. Ze zijn kortom of onmachtig en dus iets waar je je geen zorgen om hoeft te maken, óf slecht, en dus niet echt goden.

Vragen en opdrachten:

1. Waarom heeft een theïst een probleem met het kwaad, in relatie tot zijn godsgeloof?

2. Hoe verhoudt Epicurus zich, volgens jou, tot het theïsme en tot het atheïsme? Motiveer je antwoord.

3. Wat was Epicurus’ algemene doel? Hoe probeerde hij dat te realiseren?

4. Hoe luidt het raadsel van Epicurus en hoe denk jij daarover? Leg je antwoord duidelijk uit.

5. Er zijn veel theïstische antwoorden op het probleem van het kwaad. Sommigen stellen dat het aanwezige kwaad in zekere zin noodzakelijk is, een wezenlijk onderdeel van het goddelijke plan. Misschien zorgde God voor een beetje kwaad in de wereld om ons te testen, om ons een kans te geven het deugdzame te kiezen. Anderen wijzen erop dat een weinig kwaad overweldigend is, een test waarvoor we nooit kunnen slagen.

A. Als jij theïst zou zijn, wat zou jij dan een aannemelijke reden vinden voor het bestaan van het kwaad in de wereld? Motiveer je antwoord.

B. Als jij atheïst zou zijn en jij in een debat over het bestaan van God een theïst van jouw ongeloof probeert te overtuigen, hoe zou jij het kwaad dan tegen de gelovige theïst inzetten? Motiveer je antwoord.

C. Had God ons niet meteen deugdzaam kunnen maken? Leg uit.

D. Hoe kunnen rechtschapen goden het kwaad toestaan? (Een goede vraag, maar wees beleefd als je de goden die vraag stelt, wie weet worden ze kwaad;-)

Uit: Filosofie in 30 seconden – 50 mijlpalen uit de geschiedenis van de filosofie, Barry Loewer (red.), Lannoo/Spectrum 2009, p. 106

Jurgen MarechalEpicurus’ Raadsel