David Hume tegen wonderen

Je verneemt dat iemand in Parijs is gaan zweven. Als het waar is, zou het een wonder zijn: iets of iemand moet de natuurwetten hebben stilgezet of veranderd. Zou het ooit redelijk zijn om zo’n bericht te geloven? Volgens David Hume niet. Zijn redenering is in wezen gebaseerd op het afwegen van waarschijnlijkheden. Is er ooit een authentiek, bevestigd geval van een echt wonder geweest? Nee. Hebben mensen vaak gelogen of zich vergist toen ze beweerden dat ze een wonder hadden gezien? Ja. Wat is er dus waarschijnlijker: weer een vergissing of een geval van bedrog, of een echt wonder deze keer? Het is duidelijk dat het waarschijnlijker is dat het weer vals alarm is. Dat is ook het geval als je niet kunt verklaren hoe het ‘wonder’ echt in elkaar zat. Het is nog steeds waarschijnlijker dat er een of andere natuurlijke oorzaak is, die we misschien ooit zullen ontdekken, dan dat de natuurwetten zijn stilgezet. De conclusie is derhalve dat er nooit goede, redelijke gronden zijn om te geloven dat een wonder heeft plaatsgevonden. Geloof kan je ertoe brengen in wonderen te geloven, maar de rede zal zich hierbij nooit aansluiten.

Vragen en opdrachten:

1A Hoe zou jij een wonder willen omschrijven?

1B Hoe zou David Hume een wonder omschrijven? (Maak gebruik van het het begrip ‘natuurwet’).

1C Wat is een duidelijke overeenkomst en een duidelijk verschil tussen jouw en David Humes’ omschrijving van het begrip ‘wonder’? Motiveer je antwoord.

2A Geef een voorbeeld van een wonder die goed bij jouw omschrijving (zie 1A) past.

2B Geef een voorbeeld van een wonder die goed bij David Humes’ omschrijving (zie 1B) past.

2C Zijn er n.a.v. de verschillende voorbeelden (zie 2A en 2B) duidelijke verschillen of overeenkomsten tussen de omschrijving van het begrip ‘wonder’ van jou en David Hume waarneembaar? Motiveer je antwoord.

2D Reageer: “Het is mogelijk dat je in wonderen geloof, maar volgens David Hume zijn daar geen gronden voor”, beargumenteer je reactie.

3. Hoe denkt David Hume over wonderen en is zijn argumentatie hieromtrent voornamelijk empirisch of juist rationalistisch gefundeerd? Motiveer je antwoord.

4. Leg de volgende conclusie uit: “Geloof kan je ertoe brengen in wonderen te geloven, maar de rede zal zich hierbij nooit aansluiten”.

5. “Is het waar dat een wonder het overtreden van een natuurwet vereist? Kon God bijvoorbeeld de dingen niet zo hebben geregeld dat de Rode Zee splijtte om de IsraĆ«lieten op natuurlijke wijze de mogelijkheid te geven te vluchten, maar exact op het juiste moment. Misschien, maar om voor de juiste timing te zorgen, moet er op een bepaald moment met de natuurlijke opeenvolging van oorzaak en gevolg zijn geknoeid, en dat zou alsnog een inbreuk op de natuurwetten betekenen”.

5A Reageer positief of negatief op de stelling hierboven en leg uit waarom je er mee eens of juist oneens bent. Leg je mening duidelijk uit.

5B Waarom botsen wonderen met de natuurwetten, volgens David Hume?

5C “Omdat de wonderen met de natuurwetten botsen, botst het levensbeschouwelijke ook met het natuurwetenschappelijke, zoals meningen en feiten botsen”. Leg uit waarom jij het hier mee eens of juist oneens bent.

5D “Wonderen en natuurwetten hoeven er echter helemaal niet voor te zorgen dat het levensbeschouwelijke en het natuurwetenschappelijke met elkaar botst, zolang je maar weet dat je vanuit een bepaalde optiek/taalspel naar de gehele werkelijkheid kijkt, anders snap je er niets meer van”. Leg uit dat wonderen en de natuurwetten elkaar in die zin niet hoeven uit te sluiten. Motiveer je antwoord.

Uit: Filosofie in 30 seconden – 50 mijlpalen uit de geschiedenis van de filosofie, Barry Loewer (red.), Lannoo/Spectrum 2009, p. 112

Jurgen MarechalDavid Hume tegen wonderen